Autobiografie
Inhoud
- De naam die ik niet wilde dragen
- Spanning thuis en mijn eigen binnenwereld
- Weggestuurd: Egmond aan Zee
- Muziek als eerste lichtpunt
- De plek waar ik wél mocht zijn wie ik was
- De school die nooit de mijne werd
- Humor als schild
- Metamorfose: in een andere huid
- De prijs van onverwerkte pijn
- Waar mijn leven kantelde
- Waar mijn verhaal een nieuwe stem kreeg
- De ware ik achter de façade
1. De naam die ik niet wilde dragen
Mijn ouders gaven mij bij de geboorte de roepnaam Han. Ik heb die naam altijd vreselijk gevonden, misschien juist omdat ik als klein jongetje al werd gepest op school én daarbuiten. Rond mijn vierde was ik namelijk geopereerd aan mijn blaas, om te voorkomen dat ik later nierpatiënt zou worden. Door die ingreep raakte mijn plas-signaal volledig ontregeld. Overdag moest ik schone kleren mee naar school, omdat het regelmatig misging.
En als het misging dan kwam steevast die ene, vernietigende opmerking: “Kijk, daar heb je Han pis in de broek!” Ik werd letterlijk het pispaaltje van de hele school. Ik schaamde me kapot. Het vrat aan mijn zelfvertrouwen en ontwikkelde een gigantisch minderwaardigheidscomplex.
Dat was overigens niet het enige waar ik me voor schaamde. Ik liep rond met een afschuwelijke zwarte monturenbril en een stom pispottenkapsel dat mijn vader als huiskapper mij trouw aanmat. Het hele plaatje werkte bepaald niet in mijn voordeel. Ik werd gepest tot op de middelbare school.
2. Spanning thuis en mijn eigen binnenwereld
Thuis hing vaak veel spanning in de lucht. Mijn broer had een ernstig bedrijfsongeval gehad en liep daarbij hersenbeschadiging op. De zorg voor hem vroeg enorm veel van mijn ouders en als kind voelde ik die druk feilloos aan. Ik nam het over in mijn gedrag: ik had weinig vriendjes, was daardoor een einzelgänger en ik kon behoorlijk ontploffen als iets niet ging zoals ik wilde. Ik leefde in mijn eigen wereld. Soms klein, soms groot, maar altijd kwetsbaar.
Een van de meest ingrijpende herinneringen uit die tijd is het moment dat ik werd opgetild en voor het raampje van een isoleercel werd gehouden. Mijn broer lag daar midden in de cel, platgespoten en in een dwangbuis op bed. “Kijk, daar ligt je broer…” zei mijn vader dan. Het was vast goed bedoeld, maar voor mij was het een beeld dat zich voor altijd in mijn geheugen heeft vastgezet. Ik was verdorie nog maar acht! Te jong voor dit soort taferelen. Het heeft me een levenslang trauma bezorgd.
In diezelfde periode kreeg ik kalmeringsmiddelen om mijn gedrag te dempen. Daardoor vlakte ik emotioneel af. Ik moest bovendien altijd vroeg naar bed, terwijl mijn buurjongetjes nog buiten speelden. Ik wilde helemaal niet slapen, maar kreeg dan toch slaaptabletten. Met mijn armen wijd zwalkte ik door mijn slaapkamer alsof ik een zweefvliegtuig was, tot ik bijna omviel en snel mijn bed indook.
Vanaf mijn veertiende weigerde ik decennialang elke vorm van medicatie. Zelfs een simpele paracetamol kwam er bij mij niet meer in.
3. Weggestuurd: Egmond aan Zee
Op mijn zesde was ik al eens voor zes weken naar een vakantiekolonie in Egmond aan Zee gestuurd, om aan te sterken. Een vakantiekolonie was in die tijd een soort zomeropvang of herstellingsoord voor kinderen die volgens de normen van toen “versterking” nodig hadden. Je verbleef er enkele weken tot wel zes maanden, meestal aan zee of op de Veluwe, in eenvoudige slaapzalen met strakke dagindelingen, veel buitenlucht, strenge leiding en nauwelijks contact met thuis. Voor veel kinderen voelde het eerder als een streng internaat dan als vakantie.
Maar toen ik negen was, werd ik er opnieuw naar toe gestuurd. Dit keer voor maar liefst een half jaar. Aanvankelijk vond ik het verschrikkelijk. Ik schreef brieven naar huis waarin ik smeekte om terug te mogen komen. Maar voordat die brieven op de post gingen, werden ze gelezen. Als de inhoud “te zorgelijk” was, moest ik ze herschrijven, om het thuisfront niet onnodig ongerust te maken.
Uiteindelijk heb ik mij er maar bij neergelegd, want ik had simpelweg geen keuze. En natuurlijk zaten er ook leuke kanten aan mijn verblijf, zoals het feit dat ik met de accordeon die mijn broer voor me had meegebracht. ’s Ochtends vroeg bij dag en dauw, bovenop de duin, bracht ik mijn zelfgemaakte liedjes ten gehore. Door het vocht werd hij uiteindelijk zo lek als een mandje en dan repareerde ik de leertjes door ze met pleisters te vervangen. Het werd overigens niet altijd door mijn slaperige leeftijdgenootjes gewaardeerd.
Als kind pas je je snel aan; je zoekt vanzelf de lichtpuntjes op om het draaglijk te maken. Maar de impact was groot. Het gevoel van weg zijn van huis, van niet kunnen kiezen, van je aanpassen aan een wereld die niet de jouwe is — dat nestelt zich diep in een kind.
Misschien is dat de reden dat Egmond aan Zee nog steeds een bijzondere plek voor me is, waar ik ook nu nog vaak kom. Vooral als ik niet goed in mijn vel zit of even lekker wil uitwaaien. Het blijft een stukje van mezelf, een plek waar verleden en heden elkaar raken, waar ik kan ademen, waar ik even stil kan staan bij wie ik was en wie ik geworden ben.
4. Muziek als eerste lichtpunt
Op mijn tiende verjaardag kwam ik voorgoed weer thuis en er stond ineens een orgel in de woonkamer, want mijn muzikale talent was in de vakantiekolonie niet onopgemerkt gebleven. Mijn vader, zelf ook muzikaal, besloot mij les te geven. Het voelde alsof er een nieuwe wereld voor me openging. Ik oefende, stuntelde, vervloekte, ramde denkbeeldig dat orgel helemaal in elkaar en uiteindelijk kreeg ik de toetsen dan toch langzaam onder controle.
Als ik een nieuw liedje had ingestudeerd en er kwam visite, dan klonk steevast het verzoek: “Nou Han, laat eens horen wat je geleerd hebt.” Met het schaamrood op mijn kaken en de trotse blikken van mijn ouders in mijn rug, schoof ik achter het orgel. Mijn handen trilden, maar ik speelde. En ik kreeg waarachtig applaus.
Dat applaus was voor mij meer dan een beleefd gebaar. Het was het eerste moment waarop ik voelde: ik kan iets. Ik werd gezien, gehoord, gewaardeerd. Muziek werd mijn veilige plek, mijn trots, mijn uitlaatklep. Vanaf dat moment wist ik: ik word muzikant.
5. De plek waar ik wél mocht zijn wie ik was
Op mijn twaalfde deed ik mee aan een talentenjacht. Ik eindigde als tweede in de finale. Ik speelde de sterren van de hemel met stukken als Donau Wellen en het swingende In the Mood. De winnende kandidaat was ouder en verder ontwikkeld. Maar ik had tijd, ruimte en potentie, vond de jury. Als we op een bruiloft kwamen, mocht ik van de toetsenist uit de band altijd een liedje spelen voor een groot publiek. Ook dán kreeg ik applaus.
Het voelde alsof er eindelijk een plek was waar ik niet hoefde te vechten, niet hoefde te schuilen, maar gewoon mocht zijn wie ik was.
Later vormde ik samen met mijn vader, een drummer en een zangeres ons eerste bandje. We speelden o.a. voor ouderen in verzorgingshuizen. Het orgel ging in de kofferbak van mijn vaders auto en later kreeg ik mijn eerste portable orgel. Muziek werd mijn manier om contact te maken met de wereld die ik als kind zo gemist had.
6. De school die nooit de mijne werd
De middelbare school werd één grote flop, simpelweg omdat er niet naar míj werd geluisterd. Er werd nooit naar mij geluisterd en ik werd nog steeds gepest ook.
Uit de Cito-eindtoets die bepaalde welk vervolgonderwijs het beste bij mij zou passen, was gebleken dat ik “goed in boekhouden” zou zijn, en dus werd ik linea recta naar de hoogst haalbare school gestuurd: de L.E.A.O. (Lager Economisch en Administratief Onderwijs). Maar ik wilde daar helemaal niet heen.
Mijn buurtgenoten gingen naar de LTS, de technische school en daar wilde ik óók naartoe. Maar nee hoor, de test had gesproken, dus ik moest braaf het pad volgen dat anderen voor mij hadden uitgestippeld, blablabla.
Ondanks mijn hevige protesten moest en zou ik naar de L.E.A.O.
Het gevolg liet zich raden: ik ging spijbelen. En niet zo’n klein beetje ook. Ik meldde me doodleuk ziek bij de conciërge en verdween vervolgens van de radar. In die tijd werd er nauwelijks met het thuisfront gecommuniceerd, dus mijn ouders wisten van niets. Tot mijn moeder op een dag argwaan kreeg en de school belde. “Uw zoon? Hij is ziek. Hij is al veertien dagen niet op school geweest.”
Wonder boven wonder kreeg ik geen huisarrest. En op het matje bij de directeur kwam ik er ook nog mee weg. Omdat ik voor de derde keer zou blijven zitten, wilde ik de school niet afmaken en koos ik ervoor om te gaan werken. Ik was zeventien en had het helemaal gehad met een systeem dat mij nooit had gezien. Daar waren zowel mijn ouders als de schoolleiding het over eens. Door het veelvuldig spijbelen had ik het min of meer afgedwongen.
Op latere leeftijd heb ik via het volwassenenonderwijs cum laude de nodige diploma’s gehaald die wél aansloten bij mijn wensen en doelen.
7. Humor als schild
Door mijn buurman leerde ik woordgrapjes en door de jaren heen raakte ik er steeds bedrevener in. Met taal kon ik mensen laten lachen en dat voelde net zo waardevol als het applaus op het podium. Serieuze gesprekken voerde ik nauwelijks; dat was ik simpelweg niet gewend. Humor werd mijn schild. Het was mijn manier om erbij te horen zonder mezelf te veel bloot te geven.
Dus hing ik voortaan spreekwoordelijk de clown uit. Niet omdat ik zo nodig grappig wilde zijn, maar omdat het de veiligste manier was die ik kende om gezien te worden zonder dat iemand te dichtbij kwam.
8. Metamorfose: in een andere huid
Rond mijn twintigste besloot ik mijn uiterlijk radicaal te veranderen. Ik droeg lenzen in plaats van die stomme bril. Ik liet mijn haar groeien en zette er een permanent in, gewoon om eindelijk van dat steile kapsel af te zijn. En ik veranderde zelfs mijn voornaam; die naam die zo beladen was geraakt met pijn, schaamte en herinneringen.
Met al die veranderingen werd ik iemand die ik nooit eerder had kunnen zijn. Eindelijk werd ik gezien. Ik werd gewaardeerd. Ik kon iets laten zien zonder meteen terug te vallen in onzekerheid.
Maar diep vanbinnen moest ik mezelf er telkens opnieuw van overtuigen: “Zie je nou? Ik kan het wel!”
Het was alsof ik langzaam uit mijn oude huid kroop en voor het eerst durfde te geloven dat er meer in mij zat dan het jongetje dat ooit het pispaaltje van de school was.
9. De prijs van onverwerkte pijn
Tot mijn veertigste was ik niet alleen een einzelgänger, maar ook behoorlijk egocentrisch. Ik was iemand met wie nauwelijks om te gaan was. Dat had niet alleen te maken met mijn jeugd, maar ook met alles wat daarna over me heen kwam: schoonouders die mij en mijn familie het leven zuur maakten, waardoor ik mijn woonplaats ontvluchtte; bizarre taferelen rond het vreemdgaan van mijn ex; miskramen; het prille overlijden van ons kindje; grote financiële schulden; huisuitzettingen; crisisopvang; slapen in de auto, om maar een paar voorbeelden te noemen.
Het soort gebeurtenissen dat je niet alleen raakt, maar je hele fundament laat wankelen.
Ik droeg al die ervaringen met me mee, zonder te weten hoe ik ermee om moest gaan. Ik bouwde muren, trok me terug en vulde de leegte op met humor, muziek en optredens. Op het podium was ik de ster, maar zodra ik daar van af stapte, was ik het liefst onzichtbaar.
10. Waar mijn leven kantelde
Ergens diep vanbinnen wist ik dat ik zo niet verder kon. Na mijn veertigste, en na wéér een stukgelopen relatie, kwam ik in aanraking met mijn spirituele kant. Ik liet me inwijden in Reiki en dat veranderde mijn leven op een manier die ik nooit had kunnen voorzien. Het was alsof er een deur openging naar een deel van mezelf dat al die jaren had liggen wachten.
Ik liet langzaam alles los waar ik me zo krampachtig aan had vastgehouden: de controle, de angst, de oude overtuigingen die me klein hielden. Ik werd een ander mens. Ik begon de mooie kanten van het leven te zien en niet als iets wat ik moest verdienen, maar als iets wat er gewoon mocht zijn.
Voor het eerst voelde ik rust. Niet de oppervlakkige rust van “alles onder controle hebben”, maar de diepe rust van thuiskomen bij mezelf.
11. Waar mijn verhaal een nieuwe stem kreeg
Na decennia van zelfontwikkeling kreeg ik de diagnose blaaskanker. Later volgde het beginstadium van slokdarmkanker, wat uiteindelijk zou leiden tot een zware buismaagoperatie. Het was een periode waarin alles wat ik dacht te weten over mezelf, het leven en mijn veerkracht, opnieuw werd getest.
De emoties en ervaringen brachten me uiteindelijk op het idee om deze blog te starten. Niet om medelijden op te roepen, maar om mijn levenservaringen te delen en te beschrijven hoe ik omging met alles wat op mijn pad was gekomen. Schrijven gaf me lucht. Het gaf woorden aan dingen die anders alleen maar van binnen zouden blijven rondzingen.
Omdat ik veel wandelde in de natuur, soms om te herstellen, soms om mijn hoofd leeg te maken, voegde ik daar een wandelcategorie aan toe. En ja, met veel humor. Want dat ben ik nooit kwijtgeraakt.
Het werd een plek waar ik mezelf kon laten zien zoals ik was: eerlijk, kwetsbaar, soms rauw, maar altijd met een glimlach die ergens tussen de regels door bleef hangen.
12. De ware ik achter de façade
In eerste instantie hield ik mijn blog anoniem, omdat ik niet wilde dat lezers bevooroordeeld zouden worden door wie ik altijd geweest was. Ik ging op zoek naar een spirituele naam maar die vond ik niet. Tot ik me realiseerde dat de blog eigenlijk ging over dat kleine jongetje dat zich jarenlang had verstopt achter een levenswijze die hij zichzelf had opgelegd en dat degene die schreef de ware ik was.
Uiteindelijk ben ik blij dat ik de oorspronkelijke roepnaam die mijn ouders mij hebben gegeven weer heb teruggenomen. Natuurlijk blijf ik in mijn dagelijkse leven mijn aangenomen naam gebruiken. Voor mijn vrienden en mijn omgeving ben ik nog steeds de persoon die zij kennen.
Maar als het gaat om mijn innerlijke zelf, achter mijn gedachten en om dat stille innerlijke weten dat nooit verdwenen is, dan zeg ik:
“IK BEN, en niet dat wat je ziet.”
Han – HpdL
Roepnaam Han:
Deze officiële roepnaam heb ik van mijn ouders meegekregen.
De naam Han heeft verschillende spirituele betekenissen, afhankelijk van de culturele context.
In de Chinese cultuur wordt Han vaak geassocieerd met wijsheid, mededogen en een sterke verbinding me de natuur. Het kan ook verwijzen naar de Han-dynastie, die bekend staat om zijn bloei van cultuur en wetenschap.
In andere contexten kan Han ook betekenissen hebben zoals ‘genade’ of ‘geluk’.
Spiritueel gezien kan de naam een uitnodiging zijn om je intuïtie te volgen en je innerlijke wijsheid te ontwikkelen.
Het is een naam die vaak wordt geassocieerd met een diepere zoektocht naar betekenis en verbinding met anderen.
In dit laatste kan ik mijzelf het meeste vinden.



