Autobiografie van Han
Het Pad Der Liefde
Inleiding
Dit is het verhaal van een jongen die jarenlang onzichtbaar was, voor anderen maar vooral voor zichzelf. Een verhaal over thuiskomen bij wie ik werkelijk ben en niet dat wat je ziet.
Autobiografie
Voorwoord
Jarenlang was ik onzichtbaar, voor de wereld om me heen, maar vooral voor mijzelf. Ik verschool me achter schaamte, humor en pure overlevingsdrang. Ik was een kind dat te vroeg te veel zag en te vaak alleen stond.
Toch is dit geen verhaal over slachtofferschap. Het is het verhaal van iemand die, ondanks alles, bleef zoeken naar licht, in muziek, in humor, in stilte, in de natuur en uiteindelijk in zichzelf.
Wat je hier leest is geen opsomming van gebeurtenissen, maar een reis. Een weg door angst, verlies, trots, liefde, ziekte en groei. Een weg die me terugbracht naar wie ik werkelijk ben.
Ik deel dit omdat eerlijkheid helend kan zijn en omdat kwetsbaarheid soms de deur opent naar kracht. Als jij iets herkent in mijn woorden, al is het maar één zin, dan is dit verhaal niet alleen van mij, maar ook een beetje van jou.
Dit is mijn verhaal.
Inhoud
- De naam die ik niet wilde dragen
- Spanning thuis en mijn eigen binnenwereld
- Weggestuurd: Egmond aan Zee
- Muziek als eerste lichtpunt
- De plek waar ik wél mocht zijn wie ik was
- De school die nooit de mijne werd
- Humor als schild
- Metamorfose: in een andere huid
- De prijs van onverwerkte pijn
- Waar mijn leven kantelde
- Waar mijn verhaal een nieuwe stem kreeg
- De ware ik achter de façade
1. De naam die ik niet wilde dragen
Mijn ouders gaven mij bij de geboorte de roepnaam Han. Ik heb die naam altijd vreselijk gevonden, misschien juist omdat ik als klein jongetje al werd gepest vanaf de lagere school én daarbuiten. Rond mijn vierde was ik namelijk geopereerd aan mijn blaas, om te voorkomen dat ik later nierpatiënt zou worden. Door die ingreep raakte mijn plas-signaal volledig ontregeld. Overdag moest ik schone kleren mee naar school, omdat het regelmatig misging.
En als het misging, dan kwam steevast die ene, vernietigende opmerking: “Kijk, daar heb je Han pis in de broek!” Ik werd letterlijk het pispaaltje van de school, al voelde het alsof de hele wereld me aankeek. Ik schaamde me kapot. Het vrat aan mijn zelfvertrouwen en ik ontwikkelde een gigantisch minderwaardigheidscomplex, die tot ver na mijn puberteit werd gevoed.
Die incontinentie was overigens niet het enige waar ik me voor schaamde. Ik liep rond met een afschuwelijke zwarte monturenbril en een stom pispottenkapsel dat mijn vader als huiskapper mij trouw aanmat. Het hele plaatje werkte bepaald niet in mijn voordeel vond ik. Daarmee werd ik gepest tot op de middelbare school.
2. Spanning thuis en mijn eigen binnenwereld
Thuis hing vaak veel spanning in de lucht. Mijn broer had een ernstig bedrijfsongeval gehad en liep daarbij een hersenbeschadiging op. De zorg voor hem vroeg enorm veel van mijn ouders en als kind voelde ik die druk feilloos aan. Ik nam het over in mijn gedrag: ik werd een echte einzelgänger, had dan ook weinig vriendjes en ik kon behoorlijk ontploffen als iets niet ging zoals ik wilde. Ik leefde in mijn eigen wereld. Soms klein, soms groot, maar altijd kwetsbaar.
Een van de meest ingrijpende herinneringen uit die tijd is het moment dat ik werd opgetild en voor het raampje van een isoleercel werd gehouden. Mijn broer lag daar in een psychiatrische inrichting, opgenomen vanwege zijn epileptische aanvallen. Ik zag hem liggen, midden in de cel, platgespoten en in een dwangbuis op bed. Hij lag daar maar hulpeloos en kon zich amper verroeren. “Kijk, daar ligt je broer…” zei mijn vader dan. Het was vast goed bedoeld, maar voor mij was het een beeld dat zich voor altijd in mijn geheugen heeft vastgezet. Ik was verdorie nog maar acht! Te jong voor dit soort taferelen. Het heeft me een levenslang trauma bezorgd.
In diezelfde periode kreeg ik kalmeringsmiddelen om mijn gedrag te dempen, in plaats van de oorzaak aan te pakken. Daardoor vlakte ik emotioneel af. Ik moest bovendien altijd vroeg naar bed, terwijl mijn buurjongetjes nog buiten speelden. Ik wilde helemaal niet slapen, maar kreeg dan slaaptabletten zodat ik kunstmatig in slaap zou vallen. Met mijn armen wijd zwalkte ik door mijn slaapkamer alsof ik een zweefvliegtuig was, tot ik bijna omviel en snel mijn bed indook.
Vanaf mijn veertiende weigerde ik decennialang elke vorm van medicatie. Ik moest er niets meer van weten. Zelfs een simpele paracetamol kwam er bij mij niet meer in.
3. Weggestuurd: Egmond aan Zee
Op mijn zesde was ik al eens voor zes weken naar een vakantiekolonie in Egmond aan Zee gestuurd, om aan te sterken.
Een vakantiekolonie was in die tijd een soort zomeropvang of herstellingsoord voor kinderen die volgens de normen van toen “versterking” nodig hadden. Je verbleef er enkele weken tot wel zes maanden, meestal aan zee of op de Veluwe, in eenvoudige slaapzalen met strakke dagindelingen, veel buitenlucht, strenge leiding en nauwelijks contact met thuis. Voor veel kinderen voelde het eerder als een streng internaat dan als vakantie.
Toen ik negen was, werd ik opnieuw naar Egmond aan Zee gestuurd. Dit keer voor maar liefst een half jaar. Aanvankelijk vond ik het verschrikkelijk. Ik schreef brieven naar huis waarin ik smeekte om terug te mogen komen. Maar voordat die brieven op de post gingen, werden ze gelezen. Als de inhoud “te zorgelijk” was, moest ik ze herschrijven, om het thuisfront niet onnodig ongerust te maken. Ik deed het met tranen in mijn ogen.
Uiteindelijk heb ik mij er maar bij neergelegd, want ik had simpelweg geen keuze. En natuurlijk zaten er ook leuke kanten aan mijn verblijf, zoals het feit dat ik met de accordeon die mijn broer voor me had meegebracht. ’s Ochtends vroeg bij dag en dauw, bovenop de duin, bracht ik mijn zelfgemaakte liedjes ten gehore. Door het vocht werd hij uiteindelijk zo lek als een mandje en dan repareerde ik de leertjes door ze met pleisters te vervangen. Het werd overigens niet altijd door mijn slaperige leeftijdgenootjes gewaardeerd.
Als kind pas je je snel aan; je zoekt vanzelf de lichtpuntjes op om het draaglijk te maken. Maar de impact was groot. Het gevoel van weg zijn van huis, van niet kunnen kiezen, van je aanpassen aan een wereld die niet de jouwe is. Dat nestelt zich diep in een kind.
Misschien is dat de reden dat Egmond aan Zee nog steeds een bijzondere plek voor me is, waar ik ook nu nog vaak kom. Vooral als ik niet goed in mijn vel zit of even lekker wil uitwaaien. Het blijft een stukje van mezelf, een plek waar verleden en heden elkaar raken, waar ik kan ademen, waar ik even stil kan staan bij wie ik was en wie ik geworden ben.
4. Muziek als eerste lichtpunt
Precies op mijn verjaardag kwam ik voorgoed weer thuis. Ik werd tien en als verrassing stond er een orgel in de woonkamer, want mijn muzikale talent was in de vakantiekolonie niet onopgemerkt gebleven. Mijn vader, zelf ook muzikaal, besloot mij les te geven. Het voelde alsof er een nieuwe wereld voor me openging. Ik oefende, stuntelde, vervloekte, ramde denkbeeldig dat orgel helemaal in elkaar en uiteindelijk kreeg ik de toetsen dan toch langzaam onder controle.
Als ik een nieuw liedje had ingestudeerd en er kwam visite, dan klonk steevast het verzoek: “Nou Han, laat eens horen wat je geleerd hebt.” Met het schaamrood op mijn kaken en de trotse blikken van mijn ouders in mijn rug, schoof ik achter het orgel. Mijn handen trilden, maar ik speelde. En ik kreeg waarachtig applaus.
Dat applaus was voor mij meer dan een beleefd gebaar. Het was het eerste moment waarop ik voelde: ik kan iets. Ik werd gezien, gehoord, gewaardeerd. Muziek werd mijn veilige plek, mijn trots, mijn uitlaatklep. Vanaf dat moment wist ik: ik word muzikant.
5. De plek waar ik wél mocht zijn wie ik was
Op mijn twaalfde deed ik mee aan een talentenjacht. Ik speelde de sterren van de hemel met stukken als Donau Wellen en het swingende In the Mood. De winnende kandidaat was ouder en verder ontwikkeld. Maar ik had tijd, ruimte en potentie, vond de jury. Dus ik werd tweede.
Als we op een bruiloft kwamen, mocht ik van de toetsenist uit de band altijd een liedje spelen voor een groot publiek. Ook dán kreeg ik applaus. Het voelde alsof er eindelijk een plek was waar ik niet hoefde te vechten, niet hoefde te schuilen, maar gewoon mocht zijn wie ik was.
Later vormde ik samen met mijn vader, een drummer en een zangeres ons eerste bandje. We speelden o.a. voor ouderen in verzorgingshuizen. Het orgel ging in de kofferbak van mijn vaders auto. Ik moest erachter blijven lopen zodat hij er niet uitviel. Later kreeg ik mijn eerste portable orgel. Muziek werd mijn manier om contact te maken met de wereld die ik als kind zo gemist had.
6. De school die nooit de mijne werd
De middelbare school werd één grote flop, simpelweg omdat er niet naar míj werd geluisterd. Er werd nooit naar mij geluisterd en ik werd nog steeds gepest ook.
Uit de Cito-eindtoets die bepaalde welk vervolgonderwijs het beste bij mij zou passen, was gebleken dat ik “goed in boekhouden” zou zijn. Dus werd ik linea recta naar de voor mij hoogst haalbare school gestuurd: de L.E.A.O. (Lager Economisch en Administratief Onderwijs). Maar ik wilde daar helemaal niet heen.
Mijn buurtgenoten gingen naar de LTS, de technische school. Daar wilde ik óók naartoe, maar dat mocht niet. De Cito-toets had immers gesproken, dus ik moest braaf het pad volgen dat anderen voor mij hadden uitgestippeld, blablabla.
Ondanks mijn hevige protesten moest en zou ik naar de L.E.A.O.
Het gevolg liet zich raden: ik ging spijbelen. En niet zo’n klein beetje ook. Ik meldde me doodleuk ziek bij de conciërge en verdween vervolgens van de radar. In die tijd werd er nauwelijks tussen de school en het thuisfront gecommuniceerd, dus mijn ouders wisten van niets. Tot mijn moeder op een dag argwaan kreeg en de school belde. “Uw zoon? Hij heeft zich ziek gemeld en is al veertien dagen niet op school geweest.”
Wonder boven wonder kreeg ik geen huisarrest. En op het matje bij de directeur kwam ik er ook nog mee weg. Omdat ik voor de derde keer zou blijven zitten, wilde ik de school niet afmaken en koos ik ervoor om te gaan werken. Ik was zeventien en had het helemaal gehad met een systeem dat mij nooit had gezien. Daar waren zowel mijn ouders als de schoolleiding het over eens. Door het veelvuldig spijbelen had ik het min of meer afgedwongen.
Op latere leeftijd heb ik via het volwassenenonderwijs cum laude de nodige diploma’s gehaald die wél aansloten bij mijn wensen en doelen.
7. Humor als schild
Door mijn buurman leerde ik woordgrapjes en door de jaren heen raakte ik er steeds bedrevener in. Met taal kon ik mensen laten lachen en dat voelde net zo waardevol als het applaus op het podium. Serieuze gesprekken voerde ik nauwelijks; dat was ik simpelweg niet gewend. Humor werd mijn schild. Het was mijn manier om erbij te horen zonder mezelf te veel bloot te geven.
Dus hing ik voortaan spreekwoordelijk de clown uit. Niet omdat ik zo nodig grappig wilde zijn, maar omdat het de veiligste manier was die ik kende om gezien te worden zonder dat iemand te dichtbij kwam.
8. Metamorfose: in een andere huid
Rond mijn twintigste besloot ik mijn uiterlijk radicaal te veranderen. Ik ruilde die stomme bril in voor lenzen. Ik liet mijn haar groeien en liet er permanent inzetten, gewoon om eindelijk van dat steile kapsel af te zijn. En ik veranderde zelfs mijn voornaam; die naam die zo beladen was geraakt met pijn, schaamte en herinneringen.
Met al die veranderingen werd ik iemand die ik nooit eerder had kunnen zijn. Eindelijk werd ik gezien. Ik werd gewaardeerd. Ik kon iets laten zien zonder meteen terug te vallen in onzekerheid.
Maar diep vanbinnen moest ik mezelf er telkens opnieuw van overtuigen: “Zie je nou wel? Ik kán het wel!”
Het was alsof ik langzaam uit mijn oude huid kroop en voor het eerst durfde te geloven dat er meer in mij zat dan het jongetje dat ooit het pispaaltje van de school was.
9. De prijs van onverwerkte pijn
Tot mijn veertigste was ik niet alleen een einzelgänger, maar ook behoorlijk egocentrisch. Ik was iemand met wie nauwelijks om te gaan was. Ik kan me voorstellen dat het voor mijn omgeving niet altijd makkelijk was.
Dat had niet alleen te maken met mijn jeugd, maar ook met alles wat daarna over me heen kwam. Schoonouders die mij en mijn familie het leven zuur maakten, waardoor ik mijn woonplaats noodgedwongen ontvluchtte. Bizarre taferelen rond het vreemdgaan van mijn ex. Miskramen. Het prille overlijden van ons kindje.
Daarbovenop kwamen de financiële problemen die zich opstapelden: grote schulden, huisuitzettingen, crisisopvang, zelfs nachten slapen in de auto.
Om maar een paar voorbeelden te noemen.
Mijn ouders vroegen zich later af waarom wij niet naar hen toe waren gekomen. Maar zij hadden altijd gezegd: “Eens het huis uit, voor altijd het huis uit.” En dat had ik serieus genomen.
Het soort gebeurtenissen dat je niet alleen raakt, maar je hele fundament laat wankelen.
Ik droeg al die ervaringen met me mee, zonder te weten hoe ik ermee om moest gaan. Ik bouwde muren, trok me terug en vulde de leegte op met humor, muziek en optredens. Op het podium was ik de ster, maar zodra ik daar van af stapte, was ik het liefst onzichtbaar.
10. Waar mijn leven kantelde
Ergens diep vanbinnen wist ik dat ik zo niet verder kon. Na mijn veertigste en na wéér een stukgelopen relatie, kwam ik in aanraking met mijn spirituele kant. Ik liet me inwijden in Reiki en dat veranderde mijn leven op een manier die ik nooit had kunnen voorzien. Het was alsof er een deur openging naar een deel van mezelf dat al die jaren had liggen wachten.
Ik liet langzaam alles los waar ik me zo krampachtig aan had vastgehouden: de controle, de angst, de oude overtuigingen die me klein hielden. Ik werd een ander mens. Ik begon de mooie kanten van het leven te zien en niet als iets wat ik moest verdienen, maar als iets wat er gewoon mocht zijn.
Voor het eerst voelde ik rust. Niet de oppervlakkige rust van alles onder controle willen hebben of dingen steeds te moeten afdwingen, maar de diepe rust van thuiskomen bij mezelf.
11. Waar mijn verhaal een nieuwe stem kreeg
Na decennia van zelfontwikkeling kreeg ik de diagnose blaaskanker. Er volgde een periode van rouw en depressie, maar uiteindelijk overwon ik mijn angst door mezelf voor te nemen om te genieten van alles wat op mijn pad kwam. Ik kan tenslotte maar één ding tegelijk en als ik dan tóch moet kiezen…
Later volgde het beginstadium van slokdarmkanker, wat uiteindelijk zou leiden tot een zware buismaagoperatie. Het was een periode waarin alles wat ik dacht te weten over mezelf, het leven en mijn veerkracht, opnieuw werd getest.
De emoties en ervaringen brachten me uiteindelijk op het idee om deze blog te starten. Niet om medelijden op te roepen, maar om mijn levenservaringen te delen en te beschrijven hoe ik omging met alles wat op mijn pad was gekomen. Schrijven gaf me lucht. Het gaf woorden aan dingen die anders alleen maar van binnen zouden blijven rondzingen.
Omdat ik veel wandelde in de natuur, soms om te herstellen, soms om mijn hoofd leeg te maken, voegde ik daar een wandelcategorie aan toe. En ja, met veel humor. Want dat ben ik nooit kwijtgeraakt.
Het werd een plek waar ik mezelf kon laten zien zoals ik was: eerlijk, kwetsbaar, soms rauw, maar altijd met een glimlach die ergens tussen de regels door bleef hangen.
12. De ware ik achter de façade
In eerste instantie hield ik mijn blog anoniem, omdat ik niet wilde dat lezers bevooroordeeld zouden worden door wie ik altijd geweest was. Toch ging ik op zoek naar een spirituele naam, maar die vond ik niet. Tot ik me realiseerde dat de blog eigenlijk ging over dat kleine jongetje dat zich jarenlang had verstopt achter een levenswijze die hij zichzelf had opgelegd en dat degene die schreef de ware ik was.
Uiteindelijk ben ik blij dat ik voor deze blog de oorspronkelijke roepnaam die mijn ouders mij hebben gegeven weer heb teruggenomen. Natuurlijk blijf ik in mijn dagelijkse leven mijn aangenomen naam gebruiken. Voor mijn vrienden en mijn omgeving ben ik nog steeds de persoon die zij kennen.
Maar als het gaat om mijn innerlijke zelf, om wie ik werkelijk ben en om dat stille innerlijke weten dat nooit verdwenen is, dan zeg ik:
“IK BEN, en niet dat wat je ziet.”
Han – HpdL
Roepnaam Han
De naam Han heeft verschillende spirituele betekenissen, afhankelijk van de culturele context.
In de Chinese traditie wordt Han vaak geassocieerd met wijsheid, mededogen en een sterke verbinding met de natuur. Het verwijst ook naar de Han‑dynastie, een periode die bekendstaat om haar bloei van cultuur en wetenschap.
In andere contexten kan Han betekenissen dragen zoals ‘genade’ of ‘geluk’. Spiritueel gezien kan de naam een uitnodiging zijn om je intuïtie te volgen en je innerlijke wijsheid te laten spreken. Het is een naam die vaak wordt verbonden met een diepere zoektocht naar betekenis en verbinding.
In dat laatste herken ik mezelf het meest.


